Shockschade

Dinsdag 10 juni 2008


De storm rond Bokito is inmiddels zo goed als gaan liggen. De (menselijke vorm van) waterpokken vermoedelijk genezen.

De aansprakelijkheid voor de gevolgen van de ontsnapping in mei van dit jaar jegens het primaire slachtoffer is door Blijdorp, althans haar verzekeraar, erkend. De maatschappelijke discussie laaide behoorlijk op. Het stuitte mij tegen de borst dat werd geroepen dat het mevrouw haar eigen schuld zou zijn geweest... Alsof je als argeloze bezoeker van een dierentuin niet zou mogen verwachten dat de dieren achter slot en grendel blijven. En lachen naar dieren is al helemaal uit den boze, zo heb ik inmiddels begrepen. Voor mij geen beren meer.

Het heeft mij bevreemd dat juristen verdeeld waren (zijn) over de aansprakelijkheidsvraag in deze kwestie, temeer omdat de wetgever omtrent de (risico)aansprakelijkheid voor dieren nu eenmaal een bijzondere bepaling in het leven heeft geroepen. Dat is anders voor wat betreft de mogelijkheden tot het vorderen van zogenoemde "shockschade". In diverse media stond destijds vermeld dat een Rotterdams gezin een "vette claim" zou gaan indienen, omdat - althans zo heb ik dat begrepen - het oudste kind van het gezin als gevolg van het zien plaatsvinden van de toetakeling van de vrouw, slecht zou slapen. Vermeld werd dat personen die door de confrontatie "langdurig van de kaart" zouden zijn, shockschade zouden kunnen claimen.

Als jurist zag ik - hoe gek dat wellicht zal klinken - uit naar deze discussie. Het is juist dat de Nederlandse rechter in een - zeer - beperkt aantal gevallen immateriële schadevergoeding heeft toegekend aan "derden" die zijn geconfronteerd met (de gevolgen van) een ongeval. Daar is echter wel wat meer voor nodig dan "slecht slapen" of "langdurig van de kaart zijn", hoe vervelend, naar of verdrietig dat ook is of kan zijn. Nederland hanteert met betrekking tot het vergoeden van immateriële schade nu eenmaal een tamelijk restrictief beleid, en dat is misschien maar goed ook. Wanneer heeft een persoon recht op vergoeding van immateriële schade die is ontstaan als gevolg van een shock?

Het was in het jaar 2002 dat de Hoge Raad in zijn geruchtmakende "kindertaxi - arrest" voor het eerst een vordering met betrekking tot zogenoemde "shockschade" heeft toegekend (NJ 2002/240). In deze - gruwelijke - zaak was er sprake van een zeer ernstig verkeersongeval, waarbij een (achteruitrijdend) taxibusje op een woonerf een vijfjarig meisje aanreed waardoor zij met haar fiets ten val kwam. Vervolgens reed het taxibusje met het achterwiel over haar hoofd heen. De moeder was op dat moment niet aanwezig, maar kwam snel ter plaatse en werd geconfronteerd met het zeer ernstige hoofdletsel van het meisje. De moeder kreeg nadien te kampen met een ernstige posttraumatische stressstoornis.

De Hoge Raad kende haar uiteindelijk een smartengeldvergoeding toe. Een menselijke, maar naar mijn mening juridisch in elkaar geknutselde, beslissing. Om tot vergoeding te komen overwoog de Hoge Raad (kort gezegd) het volgende: "Indien iemand een ernstig ongeval veroorzaakt, handelt hij in het geval als hier bedoeld niet alleen onrechtmatig jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele shock wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gekwetst".

Omdat deze omstandigheden zich in het kindertaxi arrest voordeden was de onrechtmatigheid en dus de grondslag van de aansprakelijkheid gegeven, aldus de Hoge Raad.Dat is echter niet voldoende. Voor een succesvolle claim dient daarnaast te worden vastgesteld dat er sprake is van ernstig geestelijk letsel. Vaststellen van geestelijk letsel is in het algemeen slechts mogelijk is indien er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Onder welke omstandigheden een persoon daadwerkelijk in aanmerking komt voor de vergoeding van shockschade is - gelet op het arrest - niet met absolute zekerheid te voorspellen. De Hoge Raad heeft immers geen duidelijke regel gecreëerd, maar heeft omstandigheden geschetst waaronder er mogelijk een recht op immateriële vergoeding zou kunnen bestaan. Het mag wel duidelijk zijn dat een slechte nachtrust daarvoor niet voldoende zal zijn. Zonder ernstig geestelijk letsel (ergo: een in de psychiatrie erkend ziektebeeld), geen immateriële vergoeding wegen shockschade.


< terug print deze pagina
De Vos & Partners Advocaten
P.C. Hooftstraat 5-11
1071 BL Amsterdam
Nederland

T:+31 (0)20 2060700
F:+31 (0)20 2060750
info@devos.nl

Tessa van Harten

Advocaat